|
Het is onze maatschappelijke plicht om de veteranenzorg goed te regelen. Een pleidooi voor een wettelijke basis voor de veteranenzorg. Door: Angelien Eijsink, PvdA Tweede Kamerfractie
Ilustratie:
Wetten zijn minstens zo oud als het schrift, want zodra mensen gingen schrijven was het vastleggen van de spelregels één van de eerste onderwerpen die bij de kop werd gepakt. Ook toen was de menselijke samenleving blijkbaar al zo ingewikkeld dat het handig was om rechten en plichten vast te leggen om chaos te voorkomen. Door de eeuwen heen is de manier waarop wetten tot stand kwamen sterk veranderd. Kwamen wetten vroeger direct, via de koning, van God, tegenwoordig stellen wij mensen de wet op een democratische manier zelf vast. Om bij gebrek aan een almachtige en alwetende koning de wetgeving en vervolgens de handhaving daarvan op een geordende en democratisch gelegitimeerde wijze vorm te geven ontwierp Montesquieu de ‘Trias Politica' die onze huidige staatsinrichting kenmerkt. Dat houdt in dat de macht in een democratische samenleving over drie gescheiden machten verdeeld is: • De wetgevende macht (de Staten Generaal; Eerste en Tweede kamer), • De uitvoerende macht (de regering; de koningin en de ministers) • De rechterlijke macht (de rechters) Deze machten hebben ieder hun eigen bevoegdheden en hebben ieder hun eigen zelfstandigheid. Al deze machten afzonderlijk hebben ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de burger verantwoordelijkheden door middel van ingebouwde controlemechanismen. Wat heeft deze uitweiding met veteranen te maken, zult u zich afvragen. Dat zit zo. Ik wil, als lid van de wetgevende macht, de uitvoerende macht kunnen controleren aan de hand van heldere afspraken en criteria. Dat noemt men ook wel wet- en regelgeving. Met betrekking tot de meeste onderdelen van mijn portefeuille is dat geen probleem. Met betrekking tot één onderdeel dat mij zeer aan het hart gaat, de veteranenzorg, lukt mij dat echter niet of nauwelijks. Er is de afgelopen jaren een stapeling van regelingen en afspraken ontstaan, deels gebaseerd op jurisprudentie, op basis waarvan ik mijn controlerende taak niet goed kan invullen. "Ieder heeft zo zijn problemen", zult u misschien met enig schouderophalen zeggen. Maar als ik als volksvertegenwoordiger maar met moeite enig overzicht kan houden, hoe moet de veteraan, waar het toch uiteindelijk om gaat, zijn weg dan vinden? Hoe kunnen we dan verwachten dat de mensen om de veteraan heen, de familie, de vrienden, de werkgever, de eerste lijns gezondheidszorg, hier mee om gaan? Om definitief een einde te maken aan deze onhelderheid pleit ik al geruime tijd voor de totstandkoming van een veteranenwet. Tot voor kort zonder resultaat. Ik vind dat een dergelijke wet er moet komen en ik vind het daarom een doorbraak dat in het regeerakkoord van dit kabinet niet alleen is opgenomen dat "de nazorg voor uitgezonden militairen en voor veteranen wordt verbeterd", maar ook dat "zal worden bezien of hiervoor wetgeving moet worden voorbereid." Een veteranenwet wordt thans dus in overweging genomen. Ik zal u uitleggen waarom ik daar een voorstander van ben. De Kamer maakt zich al jaren hard voor een goede opvang en nazorg van veteranen. Wij werden, zoals alle Nederlanders, opgeschrikt door enkele fatale incidenten. Ik zal enkele van die incidenten kort memoreren. • In 2001 werd het twintigjarige meisje Mariëlle de Geus uit Gouda door ex-Dutchbatter Patrick van S. op straat met een steen doodgedrukt. • In 2003 schoot oud-Cambodjaganger Paul S. in Kerkrade zijn ex-vriendin, haar vader, moeder en broer dood. • Nadia van der Ven (25) werd in oktober 2002 in Utrecht door ex-militair Pascal F. - de zoon van haar huisbaas - doodgeschoten met een uzi. • December vorig jaar stak Gerald O. (34) in Amsterdam Slotervaart zijn ex-vriendin Nadine Beemsterboer (20) dood. Gerald was als VN-militair uitgezonden geweest naar Bosnië waarvan hij zwaar getraumatiseerd terugkeerde. 1[1] Deze gruwelijke incidenten drukten ons met de neus op de feiten. Nazorg van veteranen kon niet beperkt blijven tot somatische zorg en eventueel een militair invaliditeitspensioen. De psychische schade die uitzending naar een oorlogsgebied ten gevolge kunnen hebben was minstens zoveel aandacht waard. Het problematische daarvan is echter dat die schade - tegenwoordig bekend onder de naam Post Traumatisch Stress Syndroom - vaak niet onmiddellijk zichtbaar is, maar zich pas jaren later openbaart.
De veteraan staat in het middelpunt van de belangstelling. Er is sinds die tijd gelukkig ook veel gebeurd. • Er is gewerkt aan maatschappelijke erkenning door middel van de veteranendag en de veteranenpas • Er is veel verbeterd op het gebied van voorbereiding en nazorg van onze jongens en meisjes die op missie gaan. • Ook is er veel meer oog gekomen voor de mogelijke psychische effecten op langere termijn. Maatregelen om de veteranen te kunnen volgen, bijvoorbeeld door middel van het veteranenregistratiesysteem, beginnen nu daadwerkelijk vorm te krijgen en de zorgstructuur voor deze groep ontwikkelt zich snel. Een niet onbelangrijk ter zijde: De aandacht voor de ‘nieuwe veteranen' drukte ons tevens met de neus op de feiten met betrekking tot de veteranenzorg rond ‘oudere missies'. Minister Van Middelkoop sprak onlangs tijdens de jaarlijkse herdenking in Roermond heel terecht de woorden uit dat de veteranen destijds niet de voorbereiding en nazorg hebben gehad die de huidige Nederlandse militairen voor en na een missie krijgen. Er is op dit gebied dus een grote inhaalslag te maken. Maar is, die inhaalslag buiten beschouwing gelaten, alles nu goed en toekomstvast geregeld? De PvdA denkt dat het beter kan en dan kom ik weer terug op die wetgeving. Nog steeds kenmerkt het huidige beleid zich doordat "het ontbreekt aan een vast juridisch kader, waardoor het huidige beleid zich kan blijven kenmerken door een ad hoc karakter en daarnaast lastig objectief toetsbaar is." Ik citeer nu uit eigen werk. Deze zin staat in het PvdA-manifest ‘Zorgdragen voor Veteranen' van oktober 2006. De toenmalige staatssecretaris voelde daar niet zoveel voor. Dit zou de ruimte die de hij zou hebben - ik citeer - "om binnen de afzonderlijke regels individueel maatwerk te leveren" maar nodeloos inperken. De huidige staatssecretaris denkt daar mogelijk anders over en niet alleen op grond van het regeerakkoord, maar bovenal op grond van recente ervaringen. Zijn ‘individueel maatwerk' heeft namelijk niet weten te voorkomen dat er voortdurend juridisch gesteggel is over de nazorg. Defensie ontving vorig jaar 152 nieuwe schadeclaims van militairen. Van hen klaagden er 25 hun werkgever aan voor schade die zij opliepen door een uitzending. Deze klachten hadden onder meer te 1[1] Jolande van der Graaf, ‘Opnieuw moord door VN-veteraan', Telegraaf, wo 6 dec 2006 maken met gebrek aan nazorg. In totaal liepen er vorig jaar 483 procedures tegen het ministerie, waarvan er 82 volgden op een uitzending naar het buitenland.
2[2] Op dit moment zijn er 30 schadeclaims in behandeling die verband houden met PTSS-klachten die zouden zijn ontstaan ten gevolge van deelname aan een crisisbeheersingsoperatie en waarbij ook het verwijt wordt gemaakt dat Defensie onvoldoende nazorg heeft geboden.
3[3]De derde poot van de Trias Politica, de rechterlijke macht, heeft het maar druk met het vullen van gaten in het juridische kader en als er niets veranderd zal dat voortduren. De wetgevende macht, de Kamer dus, staat in dit proces buitenspel. Ik neem mijn werk als volksvertegenwoordiger en dus als lid van de wetgevende macht té serieus om dat een goede gang van zaken te vinden. Ik wil mijn werk - de uitvoerende macht controleren - op een adequate manier kunnen doen en daar heb ik objectief toetsbare criteria voor nodig. Ik sta daar overigens niet alleen in. De Kamer toont zich er ter dege van bewust dat de militairen die wij uitzenden in NAVO, ESDV of VN-verband een grondwettelijke taak vervullen in opdracht van de Nederlandse samenleving. Wij, als vertegenwoordigers van die samenleving, dienen borg te staan voor een goede nazorg. Mede daarom heeft de Kamer in juni 2005 om een integrale uitwerking van de zorgplicht voor veteranen gevraagd en om een duidelijke normering van de nazorg.
4[4]Waarin kan dat beter gebeuren dan in een wet? Dit heeft tot nu toe niet tot tastbaar, voor mij als Kamerlid hanteerbaar, resultaat geleid. Niet dat er niets gebeurt op het gebied van veteranenzorg, maar veel verbeteringen blijken stap voor stap afgedwongen te moeten worden door de rechter. In plaats van een veteranenwet moeten we het nu dus doen met een onoverzichtelijke stapel jurisprudentie en onderzoeksrapporten. Zoals de zaak Schoonenwolf, op grond waarvan nu vaststaat dat Nederland verantwoordelijk blijft voor militairen die in een ander verband, VN, NAVO etc., hun letsel hebben opgelopen. Ik citeer Vrij Nederland: "Ex luitenant-kolonel Peter Schoonenwolf ervoer in 1995 de nazorgpraktijk, nadat hij als EU-waarnemer twee keer gegijzeld was in voormalig Joegoslavië. Defensie meldde de familie Schoonenwolf Peters lichaam te hebben gevonden en verklaarde hem dood. Zijn vrouw moest later via teletekst vernemen dat Peter toch in leven was en zelfs was vrijgelaten. Eenmaal terug in Nederland wachtte hem een weinig riante nazorg. ‘Op het vliegveld in Nederland aangekomen kreeg ik een plakkerig papiertje met een telefoonnummer in mijn handen gedrukt,' vertelt Schoonenwolf nog altijd aangedaan, ‘voor als je hulp nodig hebt. Nou, dat was de nazorg. Niemand die mij ooit gevraagd heeft wat me is overkomen.' Toen Schoonenwolf voor de tweede keer naar Joegoslavië werd uitgezonden, ging het mis. ‘Ik zat als een kind te huilen in een hoekje en was levensgevaarlijk. Chronische PTSS, blijkt inmiddels, en niemand die me daar nog vanaf helpt. Mijn vrouw kreeg een andere vent terug, mijn kinderen een nieuwe vader. Ik ben opzij gezet als een zak oud vuil en zal moeten leren leven met mijn somberheid en agressie.'"
5[5]Een ander voorbeeld van maatwerk is de zaak Dave Maat, de Dutchbat-veteraan die na zeven jaar procederen erkenning voor zijn psychische problemen en zijn mislukking in de maatschappij als gevolg van wat zich twaalf jaar geleden, juli 1995, op de Balkan afspeelde heeft gekregen. „In zijn geval wilde Defensie fouten rond de slecht voorbereide missie afschuiven op de Verenigde Naties", aldus Knoops. „In november 2005 hebben wij een procedure bij de bestuursrechter gewonnen. Maar het ministerie is in hoger beroep gegaan en dat kost weer jaren."
6[6] Die uitspraak in hoger beroep zal 2[2ANP-bericht 8 juni 2007 3[3] Staatssecretaris Defensie, Antwoorden op vragen van Angelien Eijsink , 23 maart 2007 4[4] Motie Eijsink, Van Velzen, Veenendaal , Herben, 30139, nr. 4 4. Carolina Lo Galbo, ‘Nazorg defensie: niet laten schieten', Vrij Nederland, 23 juni 2007 6[6] Charles Sanders, 'TE TRIEST VOOR WOORDEN...', De Telegraaf 22 maart 2007 binnenkort komen en dan komt er hopelijk een einde aan deze zaak. Waar ging het in dezen met name over? Over de vraag of Nederland, dan wel de VN, waaraan hij was uitgeleend, verantwoordelijkheid is voor de opgelopen schade. Het slachtoffer moest hier uitentreuren voor procederen alvorens er een uitspraak kwam. Ik vind dat beschamend. Moet er dus nog steeds een wet komen? Ja! In mijn ogen is een regeling die voor eens en altijd een einde maakt aan de huidige juridische steekspelen met betrekking tot nazorg van het grootste belang. De juridisering van de nazorg is niet bepaald positief voor de problemen van de veteranen. Misschien dat op grond van de vele jurisprudentie al die jarenlange rechtzaken nu eindelijk tot het verleden behoren, maar je moet nu toch echt wel een specialist te hulp roepen om uit die wirwar van uitspraken en beleidsvoornemens enige wijs te worden waar het je eigen rechten betreft. Een wettelijke borging in de vorm van een Veteranenwet is wenselijk, zo niet noodzakelijk, om aan dat gedoe een einde te maken. Hoe moet zo'n wet er dan uitzien? "Daartoe"- en ik citeer nu uit ons manifest ‘Zorgdragen voor Veteranen'- "zal een definitie van het begrip ‘(na)zorg' moeten worden opgesteld om helderheid te bieden. Vastgelegd moet zijn waar de nazorg voor de veteraan op is gericht (fysiek, psychisch, sociaal of economisch probleem) en de manier waarop de nazorg vervolgens is ingevuld (maatwerk; integrale uitwerking van de zorgplicht van Defensie, onder meer in de vorm van debriefings na mogelijk traumatische ervaringen). Ook de voorzieningen voor het thuisfront (familieleden en/of levenspartners) die worden geconfronteerd met de (sociaal-maatschappelijke) problemen van de veteraan horen hierbij aan de orde te komen. Maatwerk via één loket en één keuringsinstantie geldt daarbij als uitgangspunt. Om de gehele doelgroep te garanderen dat het aangeboden stelsel kwalitatief hoog is zal een norm voor de kwaliteit van de nazorg moeten worden opgesteld en gemonitord door een nader te bepalen, onafhankelijke instantie." Ik wil u overigens best verklappen dat wij deze contouren van een wet niet helemaal zelf verzonnen hebben. Nederland hoeft wat mij betreft het wiel niet opnieuw uit te vinden want veteranenzorg is een internationaal verschijnsel. Ik heb mij onder andere laten inspireren door het Canadese ‘New Veterans Charter'. Ik ben overigens de eerste om te bekennen dat de staatssecretaris zeker niet heeft stilgezeten. Er is wel degelijk al veel gedaan. Het Veteranen Registratiesysteem is tot stand gekomen. Het Algemeen Aanmeldpunt van het Veteraneninstituut (het centrale zorgloket voor veteranen) is ingericht en er is nu een Zorgloket bij het ABP. Veel stukjes van de puzzel zijn er al. Laten we nu de puzzel afmaken en een wettelijke basis geven!" In deze kabinetsperiode verwacht ik met het kabinet schouder aan schouder op te trekken om zo'n integrale aanpak, bij voorkeur wettelijk vastgelegd, voor elkaar te krijgen. Ik zeg met nadruk ‘met het kabinet'. Niet omdat ik geen vertrouwen heb in de daadkracht van de staatssecretaris, maar omdat veteranenzorg geen taak is voor Defensie alleen. Het is onze maatschappelijke plicht om de veteranenzorg goed te regelen. Het zou onbillijk zijn om bovenop de onontbeerlijke eerstelijnszorg, de extra lasten alleen op de Defensiebegroting en de Defensieorganisatie te laten drukken. De Krijgsmacht is geen zorginstelling. Het resultaat moet een heldere integrale regeling met heldere criteria zijn, waarin duidelijk de rechten van de veteraan zijn vastgelegd. Nu is alles versnipperd over het de Kaderwet Militaire Pensioenen, het Militair Invaliditeitspensioen (MIP), de Bijzondere Invaliditeitsverhoging (BIV), de WMO, de AWBZ en wat al niet. De ervaringen die tot nu toe zijn opgedaan met het Veteranen Registratiesysteem, bij het Algemeen Aanmeldpunt van het Veteraneninstituut (het centrale zorgloket voor veteranen) en het nieuwe Zorgloket van het ABP kunnen leidend zijn om de ingewikkeldheden en de leemten in het huidige woud van regelingen op te sporen en te repareren. Ik begon mijn verhaal met de constatering dat ik als Kamerlid alleen mijn werk kan doen als ik de daden van de uitvoerende macht op grond van duidelijke wetten en regels kan toetsen. Belangrijker nog is dat de veteraan op grond van duidelijke wet weet waar hij of zij recht op heeft en vervolgens ook daadwerkelijk geholpen wordt. Belangrijk is ook dat de eerste lijns gezondheidszorg weet hoe veteranen met psychische problemen kunnen worden doorgeleid naar gespecialiseerde hulp. Met een wet alleen zijn we er dus niet klaar. Met behulp van laagdrempelige hulpverlening, goede nazorg en ontmoetingscentra voor veteranencontact moet uiteindelijk de nazorg daadwerkelijk vormgegeven worden. De basis daarvoor is gelegd, maar we zijn er nog niet. Een wet kan de rust en de richting geven om de verdere ontwikkeling van een adequate zorgstructuur voor veteranen gezamenlijk ter hand te nemen zonder gedoe in de rechtzaal. Een goede nazorg voor veteranen is onze dure plicht als maatschappij. Laten we om dat te bereiken de handen ineen slaan.
Terug
|